Bij deze verordening worden vastgesteld:

(a) geharmoniseerde regels voor het in de handel brengen, in gebruik stellen en gebruiken van artificiële-intelligentiesystemen (hierna “AI-systemen” genoemd) in de Unie;

(a) verboden op bepaalde praktijken op het gebied van artificiële intelligentie;

(b) specifieke voorschriften voor AI-systemen met een hoog risico en verplichtingen voor de exploitanten van dergelijke systemen;

(c) geharmoniseerde transparantievoorschriften voor AI-systemen die met natuurlijke personen moeten interageren, systemen voor het herkennen van emoties en systemen voor biometrische categorisering, evenals voor AI-systemen die worden gebruikt om beeld-, audio- of video-inhoud te genereren of te manipuleren;

(d) regels inzake markttoezicht en -monitoring.